Marleen Moors

‘Goed sterven is ook belangrijk’: over zinloos doorbehandelen aan het levenseinde (2016)

Marleen Moors, Viecuri Medisch Centrum Venlo, 28-02-2016

Het programma Nieuwsuur behandelde onlangs het thema ‘Goed sterven is ook belangrijk’ (1).  Aangegeven werd dat patiënten in de laatste levensfase nog altijd te lang worden doorbehandeld en daardoor te vaak in ziekenhuizen sterven. Terwijl uit onderzoek blijkt dat mensen het liefst thuis sterven (2, 3). 

Cijfers gewenste plaats van overlijden

Uit onderzoek blijkt dat van 637 geregistreerde niet-acuut overleden patiënten 34% thuis overleed, 16 % in het verzorgingstehuis, 40 % in het ziekenhuis en 10% in een hospice of vergelijkbare voorziening. Bij 54% van deze overledenen was de huisarts op de hoogte van de voorkeursplaats van overlijden (3).  Huisartsen waren vaker op de hoogte van de gewenste plaats van overlijden van patiënten met een hogere sociaaleconomische status. En ook van patiënten waarbij palliatieve zorg en psychosociale behoeften al in kaart waren gebracht (3). 

Bij de patiënten waarbij de gewenste plaats van overlijden bekend was, wilde 88% thuis sterven en maar 2% in het ziekenhuis. Toch overleed 40% in het ziekenhuis (3). Een van de oorzaken hiervoor is dat patiënten in het ziekenhuis die naar het hospice willen, daar door overbehandeling vaak te laat terecht komen. Reden om naar het hospice te willen is omdat de thuissituatie complexe zorg niet toelaat.

Overbehandeling in laatste levensfase

Overbehandeling in de laatste levensfase is een bekend probleem (4). Wanneer een patiënt te laat in het hospice terecht komt, is er helaas niet altijd de tijd en ruimte om in rust afscheid te nemen. Dit komt doordat de patiënt nog in de gewenningsfase zit van een nieuwe omgeving. Veel patiënten, met name ouderen,  zijn niet goed voorbereid op wat er kan gebeuren wanneer ze in het ziekenhuis terechtkomen na een 112-oproep. Idealiter wordt de huisarts gebeld die de wensen van de patiënt kent. Wanneer de patiënt direct naar het ziekenhuis gaat zonder tussenkomst van de huisarts, komt deze in de behandelmodus van het ziekenhuis terecht. Wanneer de situatie verslechtert, heeft de patiënt niet altijd de kans om nog naar huis te gaan en afscheid te nemen van hun vertrouwde omgeving. De patiënt overlijdt dan in het ziekenhuis of gaat de laatste dagen nog naar een hospice. Zonder de thuissituatie voldoende los te hebben gelaten.

Voorkeuren doorgeven

Oudere patiënten hebben hun wensen en voorkeuren over de laatste zorg helaas vaak niet goed in kaart gebracht. Het (te) laat aangeven van de wens om thuis te sterven, kan komen door verschillende redenen:

  • een ontbrekend inzicht in de eigen zorgbehoeften en toekomstige
  • hulpbehoevendheid
  • ontkenning van het ouder worden
  • uit angst
  • met de gedachte dat de familie het oplost

Het wordt daarom geadviseerd om zo snel mogelijk met oudere patiënten te bespreken hoe zij de toekomstige zorg graag voor zich zien. Het zou problemen oplossen voor de patiënt, medisch specialisten, verpleegkundigen, familie en naasten wanneer de gewenste plaats van overlijden tijdig besproken wordt. De voorkeur kan het beste met een huisarts of praktijkondersteuner worden besproken (4). Bij de patiënten van wie bekend is waar ze willen overlijden, wordt de wens in meer dan 80% van de gevallen vervuld (3).

Levenstestament

Het is een idee om ouderen in samenwerking met de huisarts of praktijkondersteuner een levenstestament te laten opstellen. Wanneer ouderen onverwacht in het ziekenhuis terecht komen, kunnen zorgverleners hier rekening mee houden en kan onnodig overlijden in het ziekenhuis hopelijk voorkomen worden.

Bronnen

1. Nieuwsuur NPO2, 26-01-2016, 22.00;  Bron: http://www.npo.nl/nieuwsuur/26-01-2016/VPWON_1248359

2. Het onderzoek is uitgevoerd met gegevens van de Continue Morbiditeits Registratie (CMR) peilstations van het NIVEL

3. Donker, G en Abarshi, E. “Huisartsenzorg in cijfers: Gewenste plaats van overlijden tijdig bespreken. Huisarts & Wetenschap 53 (3) mei 2010, p. 247

4. ZonMw Signalement ‘ Moet alles wat kan?’ Vragen rond medische beslissingen bij het begin en einde van het leven? april 2013, pp. 29-34