Marleen Moors

Het werk van cultureel-antropoloog Ernest Becker: een introductie (2013)

“Without mortality, no history, no culture - no humanity.” (Zygmunt Bauman 1992: 7)

Dit gezegde van Zygmunt Bauman is veelzeggender dan dat het in eerste opzicht lijkt. In zijn boek “Mortality, Immortality an Other Life Strategies” (1992) spreekt Bauman over de existentiële ambivalentie van zijn en over de ultieme absurditeit (à la Camus) van kennis over de dood: we kennen haar niet, en als we sterven dan kunnen we er niet bij zijn om de dood direct te ervaren. De dood blijft voor ons een raadsel. Ondanks dat de dood an sich voor ons een raadsel blijft is de dood als onderwerp van sociale analyse uiterst interessant. Bauman stelt dat zonder sterfelijkheid er geen geschiedenis, geen cultuur en geen mensheid zou zijn. Met andere woorden: zonder dood is er geen geen cultuur. Hoe dit te begrijpen wordt hopelijk duidelijk in mijn volgende blog-entries, aan de hand van het werk van Ernest Becker. Want of de dood logisch kenbaar is en enkel een rationele absurditeit blijft is eigenlijk niet zo relevant. Wat des te boeiender is, is om te beschouwen wat de invloed van ons eindigheidsbesef is op ons dagelijks handelen, zowel individueel als collectief. Hoe uit ons bewustzijn van onze eindigheid zich in ons gedrag? Beïnvloedt het ons gedrag überhaupt? Eén denker die van deze vragen zijn levenswerk heeft gemaakt is de cultureel antropoloog Ernest Becker (1924-1974).

         

Becker won in 1974 de Pullitzer prijs voor zijn werk “The Denial of Death” (1973). Dit werk, waarin Becker een verbinding legt tussen repressie van doodsangst en de ontwikkeling van symbolische onsterfelijkheidsstructuren, is gegrond in een combinatie van dieptepsychologie (o.a. Freud en Otto Rank) en het existentialisme van Kierkegaard. Becker is een antropoloog en geen psycholoog. Al werkt hij veelal vanuit de psychoanalyse en het existentialisme, zijn expertise richt zich met name op de studie van cultuur.

Volgens Becker is de mens een wezen met een intrinsieke doodsangst. In Beckers werk zien wij de mens als half dier, en half symbolisch. Het belang van Beckers werk ligt niet zozeer in zijn analyse van de menselijke angst als deel van de menselijke conditie, maar dat hij beargumenteert dat de mens van nature een intrinsieke doodsangst heeft die hij verdringt om een psychisch gezond leven te kunnen leiden. Geïnspireerd door de psychoanalyse, sociale theorie en Kierkegaards concept van angst beargumenteert Becker dat doodsangst één van de belangrijkste motivatoren [“drives”] is van het menselijk handelen. Het doel van Beckers sociale theorie is om te begrijpen hoe sociale structuren zich ontwikkelen door de tijd heen onder invloed van collectieve, verdrongen doodsangst.

In het algemeen kan men stellen dat er volgens Becker twee centrale motivatoren zijn die ons menselijk gedrag aansturen:

(1) Het “self-esteem maintenance principle.” Zelfvertrouwen moet ten koste van alles door het ego onderhouden om bewustzijn van doodsangst tegen te gaan. Een sterk zelfbeeld verdedigt het individu tegen angst voor nietigheid, betekenisloosheid en “opgeslokt worden door de massa”.  Ieder mens probeert daarom ook om een sterk zelfbeeld te ontwikkelen waaraan betekenis ontleend kan worden. Dit hoeft niet altijd een positief zelfbeeld te zijn, als men maar sterker of beter is dan de ander, daar gaat het om.

(2) Het symbolische onsterfelijkheidsprincipe. Het symbolische onsterfelijkheidsprincipe houdt in dat de verdrongen doodsangst door het onbewuste wordt “omgezet” naar een verlangen naar onsterfelijkheid. Het is een soort compensatie voor de wetenschap dat men sterfelijk is. Omdat wij ook collectief onze eindigheid verdringen, zijn er collectieve als wel individuele mythen om onszelf de illusie van onsterfelijkheid te geven. 

Aanvullend beargumenteert Becker dat er binnen de sociale wetenschappen twee centrale thesen zijn over doodsangst:

1.“The healthy-minded argument”: deze these is gegrond in de overtuiging dat doodsangst een gevolg is van cultuur, socialisatie en opvoeding en dat deze angst een sociaal construct is. Mensen die doodsangst ervaren worden vaak als neurotisch bestempeld, en neuroticisme wordt (soms) causaal verbonden aan een gebrek aan hechting in de jeugd (i.e.“de wereld is fundamenteel onveilig”). Mensen die erg angstig zijn (niet enkel bang voor iets maar een fundamentele angst voelen t.o.v. het eigen bestaan) worden beschouwd als pathologisch en geestelijk ongezond. Het “healthy-minded argument” zegt: waarom je zo bezig houden met eindigheid? Het leven is mooi, geniet ervan! Al is Becker het hier niet mee oneens, hij vindt het te eenzijdig.

2. “The morbidly minded argument”: deze these is gegrond in de overtuiging dat doodsangst een natuurlijk, universeel gegeven is, inherent aan de menselijke conditie. Doodsangst wordt aangedreven door het instinct voor zelf-behoud en de behoefte levensbedreigende omstandigheden onder controle te houden. Het toelaten van doodsangst tot het bewustzijn zou ons permanent verlammen als we het niet naar het onbewuste zouden verdringen. Het instinctieve besef van sterfelijkheid is voor het menselijk bewustzijn onverdraaglijk. Mede om deze reden vermijden we de werkelijkheid dat wij -qua sterfelijkheid- fysiek gelijk zijn aan andere organismen. Verdringing beëindigt de angst niet, maar verstopt haar alleen maar, waarna deze weer tot het bewustzijn terugkeert in gecompenseerde, symbolische vorm. (Bijvoorbeeld in een verlangen naar onsterfelijkheid.)

Volgens Becker zijn beide punten (1 en 2) correct in dat ze elkaar aanvullen: het tweede punt -dat doodsangst universeel is en verdrongen wordt - bewijst voor hem punt 1, namelijk hoezeer het verdrongen wordt in het bewustzijn door te denken dat we geen probleem hebben met de dood en dat het enkel iets is voor neurotische mensen. Het feit dat wij niet dagelijks met de dood bezig zijn en er niet aan denken, wil immers niet zeggen dat het vermijden ervan ons gedrag en onze keuzes niet beheerst. Hoe het ons gedrag beheerst werkt Becker uit in zijn werken The Denial of Death (1973) en Escape from Evil (1975). 

Het mooie van Becker is zijn unieke capaciteit om op diepe engagerende manier interdisciplinair te werken (wijsgerige en culturele antropologie, thanatologie, psychoanalyse en existentialisme) en om daarmee ook iets uiterst origineels over de menselijke conditie te zeggen. Becker verdient uitweiding, aandacht en zijn filosofie verdient het niet alleen om toegepast te worden, het is noodzakelijk willen de sociale wetenschappen en de wijsbegeerte überhaupt kunnen samenwerken.

© Marleen Moors, 2013